Accede!
Ideeën en bemoedigingen voor gewonde helpers verbonden met een heelmakende God

We geven door hoe verbonden we zijn

(On)verbondenheid als bepalende en verklarende factor in de doorgifte van geestelijke (on)gezondheid
André H. Roosma
updated: 2013-08-08 (enkele redactionele verbeteringen)
Een vereenvoudigde en verkorte versie van dit artikel is gepubliceerd in de juli 2004 editie van het tijdschrift Promise van de gelijknamige stichting.
foto van de auteur

Al meer dan een eeuw zoeken wetenschappers en hulpverleners ernaar welke factoren onze geestelijke gezondheid bepalen. En hoe deze gezondheid, of juist een gebrek eraan, van generatie op generatie wordt overgedragen. In de laatste decennia zie ik daarin bepaalde contouren heel duidelijk worden. Contouren waarvan overigens al in de begintijd van de psychologie bepaalde mensen belangrijke aspecten waarnamen (ik denk daarbij aan mensen als Pierre Janet en Alfred Adler).
Wat ik noem: ‘verbondenheid’1 speelt daarin een zeer grote rol, zo blijkt. In psychologische taal: Verbondenheid is een belangrijke determinant in intergenerationele psychodynamica.
Ik gebruik het woord verbondenheid waar het gaat om een relatie die door ware liefde wordt bepaald (waar de ene mens zich aan de ander openbaart als een goed en hem of haar erkent als een goed - om in Anna Terruwe’s vocabulaire te spreken), en gebondenheid waar angst, wantrouwen en macht de bepalende factoren zijn.
Ik moet bij ‘verbondenheid’ ook denken aan een schip, dat zijn plaats en koers op de wereldzeeën kan bepalen via de radioverbindingen met de wal waarvoor de apparatuur er in de oorspronkelijke ‘thuishaven’ al is ‘ingebouwd’ (eventueel ook pas later in een andere veilige haven). Door deze verbindingen met de wal en met andere schepen kan het zijn doel veilig bereiken en in eventuele noodsituaties anderen te hulp roepen. Ook kan het noodsignalen van anderen opmerken en die anderen te hulp komen. ‘Gebondenheid’ is in deze vergelijking bijv. dat zo’n schip in een haven aan de wal vastgeketend blijft liggen, en ‘onverbondenheid’ een doelloos rondzwalken op de oceaan. In deze beide laatste situaties zal het zijn doel hoogstwaarschijnlijk niet bereiken.
Mensen die zelf als kind verbondenheid hebben ervaren, zullen deze verbondenheid vaak overdragen op hun kinderen, en hen daarmee ook een goede basis voor geestelijke gezondheid meegeven. Mensen, daarentegen, die als kind onverbondenheid hebben ervaren, zullen met grote waarschijnlijkheid ook deze onverbondenheid overdragen op hun kinderen, tenzij ze zichzelf door Gods genade van hun eigen ervaringen van onverbondenheid laten genezen. Jezus Christus is ook gekomen om deze gewonde mensen te verbinden en te helen. De goed verbonden pastoraal werk(st)er is, juist door de verbondenheid met God, zichzelf en anderen, als geen ander toegerust om deze mensen bij te staan en te begeleiden in dit genezingsproces.
In dit artikel ga ik hier nader op in, daarbij puttend uit de Bijbel en met name uit de psychologische literatuur, en ten dele uit eigen, vooral meer recente, pastorale ervaring. Ik sta daarbij uitdrukkelijk open voor reacties, aanvullende of wellicht heel andere ervaringen.

Eén opmerking nog vooraf. In dit artikel kijk ik in eerste instantie naar patronen die vaak voorkomen. Er zijn natuurlijk altijd grote individuele verschillen. Elke specifieke situatie van mensen is uniek - juist omdat ieder mens uniek is. Ik geloof niet in het absolute determinisme van “ik ben nou eenmaal zo vanwege m’n jeugd”, of iets dergelijks. Toch vind ik het nuttig om naar algemene patronen te kijken, al is het maar om samenhang in gebeurtenissen - oorzaken en gevolgen - duidelijker te onderscheiden.

De intergenerationele dynamica van geestelijke gezondheid

In de doorgifte van geestelijke gezondheid van de ene generatie op de volgende spelen een aantal factoren een rol. Eén ding loopt daar echter als een rode draad doorheen. Dat is, zoals ik hierboven al noemde, het begrip verbondenheid. Verschillende wetenschappers en pastorale werkers hebben zich hiermee bezig gehouden en komen langs heel verschillende wegen tot unanieme conclusies.

Hechtingstheorie
Ten eerste is er de hechtingstheorie en de daarop gebaseerde visie op de ontwikkelingspsychologie. De psycholoog John Bowlby (1909-1990)2 staat bekend als de grondlegger van deze hechtingstheorie. Wat hij ontdekte en uitgebreid beschreef was het volgende: Kinderen hebben het nodig om te ervaren dat hun belangrijkste verzorgers (meestal vooral de moeder en/of de vader) aandacht en zorg voor hen hebben en op de juiste wijze reageren op hun signalen. Ze ervaren daardoor een soort veiligheid die hen een basis geeft om levenslustig, initiatiefrijk en sociaal in het leven te kunnen staan.
De Bowlbiaanse hechtingstheorie heb ik kort samengevat in het volgende diagram:


Figuur 1. Hechtingsdynamica volgens Bowlby

De drie kolommen in deze figuur leiden uiteindelijk tot de drie hechtingsstijlen die Bowlby in eerste instantie onderscheidde: de zekere hechtingsstijl (gebaseerd op ervaringen van veilige verbondenheid), de angstig-ambivalente stijl (gebaseerd op verlatingsangst) en de vermijdende stijl (gebaseerd op bevroren verlatingsangst en hopeloosheid).
Later hebben wetenschappers hier nog een vierde variant aan toegevoegd, de gedesorienteerde stijl, die voortkomt uit ernstige traumatisatie in het eerste levensjaar of uit onvoorspelbaarheid van de eerste verzorger (meestal de moeder). Dissociatieve stoornissen komen het meest voor bij deze laatste stijl.

Die veilige/zekere hechting waar ik het hierboven over had, vormt dan een basis voor een goede verdere sociale ontwikkeling. Die dingen bij elkaar geven rust en ruimte - voor de persoon zelf maar ook naar medemensen toe. Het wereldbeeld dat deze mensen onbewust vormen is er één van veiligheid en vertrouwen. Op basis hiervan kunnen mensen zich ook gemakkelijker met anderen identificeren of de nood van anderen mee-voelen (vaardigheid in empathie en bewogenheid). Ook andere sociale vaardigheden worden gemakkelijker opgebouwd op de basis van veiligheid die vroege ervaringen van verbondenheid bieden. Dit leidt er uiteindelijk toe dat mensen die zelf als kind een goede hechting hebben ervaren, later ook hun kinderen vaak een goede hechting kunnen bieden.

Hersenonderzoek

Een tweede lijn is die van het hersenonderzoek. Recent hebben onderzoekers als Allan N. Schore en E. James Wilder3 ontdekt en beschreven dat de veilige hechting waar Bowlby het over had ook grote invloed heeft op de ontwikkeling van de hersenen van die babies en jonge kinderen. Met name de rechterhersenhelft – o.a. verantwoordelijk voor het gevoelsleven en de regulatie daarvan, alsmede voor het laterale denken (in de volksmond ook wel samengevat als: ons ‘hart’) – komt in zo’n veilige hechtingsomgeving beter tot ontwikkeling. Hetzelfde geldt voor de verbinding tussen de hersenhelften, die we nodig hebben om ons logische denken en ons ‘hart’ bij elkaar te kunnen brengen. Rond de geboorte en in de eerste twee levensjaren maakt die rechterhersenhelft een grote ontwikkeling door - zo groot dat op tweejarige leeftijd deze helft bij de peuter er al volledig volgroeid uitziet. Het hechtingsmechanisme dat kinderen doet zoeken naar hechting, zoals door Bowlby beschreven, situeert Schore in het rechter orbitofrontale gebied en de corticale en subcorticale verbindingen daarvan. Ervaringen van verbondenheid leiden ertoe dat hier veel circuits goed ingesteld raken voor later intensief gebruik. In artikelen van bijvoorbeeld Peter Fonagy4 heb ik de gevolgen hiervan beschreven gezien. Met name de capaciteiten om afstand te kunnen nemen en eigen gevoelens, gedrag en gedachten te kunnen evalueren (de ‘reflectieve functie’) en reguleren, verbeteren sterk door die vroege ervaring van veilige hechting. Dit evalueren van gevoelens, gedrag en gedachten is ook nodig om vanuit nieuwe ervaringen (in dit verband vooral: dat wat niet werkt) lering te kunnen trekken.
Anderen, zoals Laurie Anne Pearlman & Karen W. Saakvitne, of -in Nederland- Marianne Riksen-Walraven5, hebben het in dit verband wel over verbeterde vaardigheden om zichzelf in de hand te kunnen houden (‘selfcapacities’) of over ‘ego-veerkracht’ (‘ego-resiliency’). Dit laatste wordt wel omschreven als het vermogen om emoties en impulsen te reguleren en zich soepel aan te passen aan veranderende en vooral stressvolle omstandigheden. Ook het kunnen inschatten van de emoties en gedachten van anderen en de invloed van het eigen handelen op de ander verbetert door de veilige hechting. Het moge duidelijk zijn, dat hierdoor de kansen voor de eigen kinderen om goed ‘verbonden’ op te groeien, sterk verbeteren. In dit alles speelt de verbeterde werking van de rechterhersenhelft en van de brug tussen beide helften dus een belangrijke rol.

Identiteit

Weer anderen – zoals de bekende Nederlandse R.K.-psychologe Anna Terruwe6 – hebben duidelijk aangegeven dat er een verband is tussen veilige hechting en identiteitsvorming. Een kind dat in de eerste jaren een goede verbondenheid heeft ervaren, zich uitend in wat Anna Terruwe noemde: ‘het bevestigd zijn’, heeft daardoor ook betere kansen om een stabiele identiteit te ontwikkelen. Hij of zij hoeft zichzelf niet te bevestigen of op zijn/haar tenen te lopen om door hoge prestaties alsnog de nodige bevestiging van anderen te ontvangen. De sociaal constructionisten - zoals Kenneth Gergen7 - zien dit ook en zeggen daarom wel dat onze identiteit sterk sociaal bepaald wordt. De internationaal zeer bekende pastoraal werkster Leanne Payne8 heb ik dit weer van een iets andere kant horen benaderen, maar zij komt tot een soortgelijke conclusie. Zij vergelijkt de invloed van een gevoelige blik van een moeder op de identiteitsvorming van haar baby met de navelstreng die voor de geboorte voeding biedt en afvalstoffen wegvoert. De baby ervaart in de blik van de moeder de acceptatie die hij of zij nodig heeft om ‘er te mogen zijn’. Daarbij ervaart de baby dat zijn/haar –in het begin soms wat overweldigende– emoties voor de moeder niet zo overweldigend zijn; ze worden door de rustige blik van de moeder en door haar stem als het ware verzacht en op hun plaats gezet. In termen van de hersen-onderzoekers: de regulatie van intense affecten gebeurt in het begin extern, door de moeder, en het interne regelcentrum leert hiervan en neemt op den duur (m.n. dus in de eerste 2 levensjaren) deze regelfunctie over. Het is ook pastoraal bekend hoe een rustig lied (zoals een wiegelied van een moeder of ervaren oma) zelfs later nog een enorme heilzame invloed kan hebben, juist omdat dit die onrust vanuit de baby-tijd kan ‘stillen’. Ook in de Bijbel - bijv. in Ps.131 - vinden we de link tussen de veiligheid die een baby bij zijn moeder kan ervaren en een innerlijke rust die God ons geeft en die een basis is voor een nederig-menselijke en meer empathische opstelling. Zoals Anne Terruwe zei: de bevestigde mens kan ook een ander weer bevestigen.
Evenals in de vorige twee benaderingen is het hier weer zó dat de basis-ervaring van verbondenheid sterk helpt in het kunnen dóórgeven ervan.

Drie inzichten tezamen

Als we deze drie stromen van bevindingen naast elkaar zetten, zien we drie aspecten waardoor een eigen ervaring van verbondenheid een basis legt voor de veilige hechting en verbondenheids-ervaring van de volgende generatie. Drie aspecten, dus, die ertoe bijdragen dat de goede verbondenheid die een persoon zelf in de eerste levensjaren ervaren heeft, ook weer doorgegeven wordt aan de volgende generatie. De betere ontwikkeling van de rechterhersenhelft en de betere samenwerking hiervan met de linkerhelft, zorgt voor een betere controle op eigen emoties en gedrag. Dit hangt nauw samen met de bevindingen betreffende de invloed van vroege verbondenheid op de identiteit. De sterkere identiteit zorgt, met die biologische kant van beter ontwikkelde hersendelen, voor het meer duidelijkheid en ruimte kunnen bieden aan de eigen kinderen - deels via een betere definitie van grenzen die mogelijk is door die sterkere eigen identiteit. Een sterker ontwikkeld sociaal gevoel hangt natuurlijk weer samen met zowel het beter functioneren van de rechterhersenhelft en de brug tussen beide helften, als met de beter ontwikkelde eigen identiteit. Dit sterker ontwikkelde sociale gevoel draagt ook weer bij aan het open kunnen staan voor de belevenissen van de kinderen in die volgende generatie.
Voor het op enigerlei wijze misbruiken van de kinderen is in deze situatie geen ruimte: enkel een gedachte eraan roept op zichzelf al heel veel weerzin op. Daarbij zal de persoon goed in staat zijn op dit weerzin-signaal te reageren door zich resoluut van dergelijke gedachten te ontdoen.
Ik zie zo het volgende plaatje ontstaan (noot: de pijlen betekenen hierin zoiets als ‘leidt tot’):

Figuur 2. De intergenerationele dynamica van verbondenheid

De intergenerationele dynamica van onverbondenheid

Heel anders wordt de situatie als er al vroeg weinig verbondenheid is, oftewel een gebrek aan veilige hechting. Je ziet dan juist het tegenovergestelde van de hierboven beschreven ontwikkelingen. In professionele hulpverlenings-kringen heb ik wel eens horen zeggen dat de kinderen van ‘borderliners’ (mensen die bepaalde gedrags­karakteristieken vertonen die samengevat worden onder de term ‘borderline persoonlijkheisstoornis’) in veel gevallen ook ‘borderline’ gedrag gaan vertonen. Het is ook bekend dat kinderen van mensen die ernstige trauma’s hebben meegemaakt, decennia later (nog) de verschijnselen vertonen van hen die zelf zulke trauma’s meegemaakt hebben. We spreken dan wel van tweede generatie oorlogsslachtoffers, of tweede generatie incestslachtoffers. Op de één of andere manier hebben de getraumatiseerde ouders iets van het trauma op de kinderen overgedragen - vaak ook zonder dat er ooit over gesproken werd (misschien wel júíst vooral dán).
De vraag rijst: hoe komt dit toch?

Wederom: de hechtingstheorie...

Voor een antwoord op deze vraag moeten we beginnen in de vroegste jeugd. Vaak leidt een gebrek aan verbondenheid van de kant van de vader en moeder tot een gebrek in fijngevoelige (op het kind afgestemde) aandacht voor de baby.
De intergenerationele overdracht van hechtingsstijlen is een buitengewoon duidelijke bevinding, met vérstrekkende implicaties.
Als gevolg hiervan ervaart de baby gevoelens van verlating, angst, pijn, gemis, hulpeloosheid, of dergelijke. Deze gebrekkige verbondenheid heeft vaak te maken met het niet emotioneel afgestemd zijn van de moeder op haar baby. Zoals aangegeven in het artikel van Jim Wilder over verslaving en volwassenheid, in de april 2004 editie van Promise, kunnen hier een hele lijst van oorzaken bij de moeder aan ten grondslag liggen. Het gevolg is dat de baby en het latere kind zich onzeker blijven voelen (angstig ambivalente hechtingsstijl) of hun emoties en dieper contact in relaties vermijden (vermijdende hechtingsstijl) dan wel gedesorienteerd raken in hun hechting (gedesorienteerde of chaotische hechtingsstijl). De aldus opgegroeide volwassene zal in het algemeen over minder goed ontwikkelde sociale en emotionele vaardigheden beschikken, en daardoor aan eigen kinderen ook minder goede hechting kunnen bieden.

... het hersenonderzoek...

In de situatie van gebrek aan veilige hechting is er, zoals Allan N. Schore3 en anderen constateerden, een minder goede ontwikkeling van de rechterhersenhelft en van de brug tussen de beide hersenhelften. Het orbitofrontale regelcentrum waar we het eerder over hadden, kan hierdoor minder goed zijn werk doen - ook vele jaren later nog. Mede als gevolg hiervan, is er minder bewustzijn van eigen emoties (affecten) en minder vaardigheid om eigen gedrag en emoties te kunnen relativeren en van ervaringen te leren. En er is zodoende ook minder goede controle op de eigen emoties en het eigen gedrag, zoals o.a. Peter Fonagy en David Lisak4 beschreven.

... en de identiteit

Daarnaast komt er gemakkelijk een onzekerheid in de eigen identiteit. Temeer als de slechte verbondenheid in de eerste levensjaren ook gepaard ging met enigerlei vorm van misbruik, zoals bijvoorbeeld in geval van (met name vroege) incest, kan dit leiden tot een afstand nemen van emoties van angst en pijn (of zelfs van complete eigen ervaringswerelden, zoals bij de dissociatieve identiteits-stoornis9). Het niet-meer-voelen van deze emoties van angst, pijn en hulpeloosheid, betekent echter dat men ook bij anderen (waaronder de eigen kinderen) deze emoties niet meer goed kan aanvoelen. Integendeel, constateert Fonagy, door de meer rigide verklaringsmodellen die intern gehanteerd worden voor het gedrag van de ander (incl. het eigen kind), zullen vaker kwade bedoelingen bij die ander verondersteld worden. Dit levert dus een grote verslechtering op in de empathische vaardigheden10.

Verdoving van emoties

Om de -als negatief ervaren- emoties onder het deksel van de vergetelheid te houden, grijpen mensen vaak naar manieren of middelen die die emoties wat verdoven11. Dat kunnen als zodanig bekende ‘verdovende middelen’ zijn, maar ook alcohol, zoetigheid (of eten in het algemeen – ik denk aan bulimia) of zich ergens met heel veel concentratie en energie op storten (workaholisme), of – vooral voor vrouwen een sociaal meer aanvaarde vorm – zich helemaal richten op anderen, met verwaarlozing van de eigen gevoelens en behoeften (codependentie of mede-afhankelijkheid). De verslaving die hierin meestal volgt betekent een versterking van de neerwaartse spiraal: zowel de hersenfuncties als het sociale leven worden verder aangetast, de hulpeloze gevoelens worden sterker, het zelfbeeld verslechtert, et cetera. Dit geeft vaak aanleiding om nog dwangmatiger de ingeslagen weg te gaan. Voeg daarbij nog dat de slechtere hechting c.q. het slechtere basis-vertrouwen vaak sowieso al leidt tot een minder goede sociale ontwikkeling, en het misère-plaatje wordt compleet.
Er is -zodoende- weinig basis om aan de kinderen (de volgende generatie) goede hechting of verbondenheid te bieden.

Culturele invloed

Soms wordt het in deze situatie nog erger. Naast het voorgaande is er vaak sprake van een sterk gevoel van een leemte of een ‘gat’ van binnen, door de gemiste verbondenheid in de eigen jeugd, én door de minder goede verbondenheid met anderen die hier in het heden het gevolg van is, eventueel dus verder aangevuld door de gevolgen van het verslavingsgedrag. Met name voor jongens en mannen is er weinig ruimte in de westerse ideologie rond de mannelijke identiteit om de onderliggende pijnlijke gevoelens e.d. aan te kaarten. Mannen moeten sterk zijn, boven hun gevoelens staan, et cetera. Het gevolg is, dat alle als negatief ervaren gevoelens des te harder onderdrukt worden12. Hierdoor is er echter ook een sterke vermindering in het kunnen aanvoelen van wat misbruik met een slachtoffer doet; oftewel: de weerzin tegen misbruik wordt sterk gereduceerd. Door de minder goed ontwikkelde sociale vaardigheden is er minder gezonde intimiteit - bijvoorbeeld met vrienden of de levenspartner. Ook neemt vaak de vervreemding van eigen gezonde gevoelsreacties toe. Verkeerde vormen van intimiteit - o.a. seksuele intimiteit met kinderen - worden in deze context zodoende aantrekkelijker en komen onbewust in de innerlijke beleving meer binnen bereik. De natuurlijke weerstand tegen het misbruiken van kinderen (pedofilie en parentificatie met verkeerde intimiteit) vervaagt. Dit gebeurt dus meestal eerst in het gevoel, dan in het denken, en ten slotte ook in het gedrag. Met als gevolg dat die kinderen niet alleen weinig op hen geconcentreerde aandacht en zorg ontvangen, maar ook nog misbruikt worden.

De cirkel is rond

Samengevat en zacht uitgedrukt: de kinderen ervaren weinig of geen verbondenheid, waarmee de onverbondenheid weer een generatie verder is - zie figuur 3.

Figuur 3. De intergenerationele dynamica van onverbondenheid
Deze tragische dynamica (deze cyclus) is onder verschillende termen in de literatuur zeer wel bekend, o.a. als ‘herhalingsdrang’13 - bijv. het slachtoffer van een vader of moeder die alcoholist was dat zelf ook weer alcoholist wordt of met een alcoholist trouwt, kinderen krijgt die met pijn opgroeien en later weer naar de alcohol grijpen om hun pijn te verdoven, etc. Dit is een vreselijk tragische cyclus!

Dader-slachtoffer

Hierboven heb ik kort genoemd hoe mannen soms sociaal bepaald worden om hun onverbondenheid niet te verwerken, maar het ‘gif’ van hun eigen vroege onverbondenheids­ervaringen door te geven aan anderen. In verband hiermee worden mannen traditioneel vaak als de daders, en vrouwen als de slachtoffers gezien. De dader-rol is echter geenszins tot mannen beperkt. Recent komt aan het licht dat mannen vanuit hun sociale rol als macho’s veel vaker dan vrouwen niet hebben durven spreken over hun eigen ervaringen van misbruikt zijn. Het blijkt dat ook vrouwen die hun ervaringen van onverbondenheid (bijv. seksueel of anderszins misbruikt zijn) niet verwerkt hebben, vaak komen tot het misbruiken van hun kinderen - wellicht wel in het bijzonder hun zonen14. Dit onderstreept de constatering die vaak gedaan is, dat het bij (seksueel) misbruik niet gaat om de seksualiteit, maar om zaken als macht e.d. Niet zozeer de seksuele aandrang op zich doet iemand een ander misbruiken, maar vooral een vervreemding van eigen gevoelens, een gebrek aan goede intimiteit en een basisgevoel van onverbondenheid en machteloosheid.

Aanvullende verklaringsmodellen

Naast de bovenstaande verklaringsmodellen zijn er in de literatuur nog meer pogingen gedaan om de doorgifte van (on)verbondenheid te beschrijven. Zo is er bijvoorbeeld de contextuele visie van de Hongaar Ivan Boszormenyi Nagy15. Hij beschrijft hechting en afhankelijkheidsrelaties o.a. in termen van ‘loyaliteiten’. Een kind is geneigd om loyaal te zijn aan de ouders of verzorgers. Deze loyaliteit is er ook als de ouders in wezen niet ‘veilig’ zijn. Dit leidt tot loyaliteitsconflicten. Ook beschrijft hij hoe er een balans moet zijn ‘van geven en nemen’. Is er altijd een onbalans geweest, zoals bij een kind die onvoldoende liefde, zorg en aandacht heeft ontvangen, dan is er een tekort op zijn rekening. Hij of zij heeft innerlijk dan het gevoel tekortgekomen te zijn, en zal een soort genoegdoening eisen in andere relaties. Komt deze niet, dan kan de persoon zich ‘destructief gerechtigd’ voelen: het voelt ‘rechtvaardig’ om ook anderen tekort te doen of zelfs te misbruiken. Zo is een deel van de hierboven behandelde intergenerationele ‘doorgifte’ van verwaarlozing en mishandeling dus ook te verklaren vanuit een ‘balans-model’.

In het kader van dit artikel kan ik hier nu niet nader op ingaan. Ik heb me hier geconcentreerd op de conclusies van de hierboven geciteerde onderzoeken: dat het juist specifiek vroege ervaringen van onverbondenheid en gebrek aan hechting zijn, die een mens ‘de das om kunnen doen’. Ook in mijn praktijk heb ik gemerkt dat mensen (onbewust) vooral zoeken naar verbondenheid, zelfs als dat inhoudt dat ze nog meer moeten geven dan ze altijd al gedaan hebben. ‘Liever een misbruikend contact dan geen contact’ lijken ze soms te zeggen. En die hunkering naar verbondenheid is ook niet zo verwonderlijk, als we zien dat we als mensen geschapen zijn voor verbondenheid met God en anderen (zie 1 Kor.1:9; Joh.15:5; Gen.2:18; 3:9)16.

Doorbreking van de intergenerationele dynamica van onverbondenheid

Dit feit: dat God ons geschapen heeft voor verbondenheid, is tegelijk ook het goede nieuws. Het is onze bron van hoop voor wie gevangen lijken te zitten in die akelige cyclus van onverbondenheid. Met God is het namelijk mogelijk om deze cyclus te doorbreken en - stap voor stap - over te schakelen naar de cyclus van verbondenheid!
Het is dan wel van groot belang dat we zien dat de kern van de problematiek ligt in onverbondenheid - gebrek aan het ervaren hebben van verbondenheid met God, met zichzelf en met anderen. ‘Elk trauma is een trauma van scheiding of verlating’ heb ik Leanne Payne wel horen zeggen, en Judith Lewis Herman zegt in haar bekende boek over trauma en herstel iets dergelijks17.

Oorzaak en herstel

Dan rijst de vraag: Hoe kunnen we herstel van verbondenheid bevorderen? Daarvoor ga ik eerst even terug naar hoe oorspronkelijk de onverbondenheid in deze wereld binnen is gekomen. We kunnen daarover lezen in Genesis 3. De mensen (Adam en Eva) leefden in volkomen harmonie en verbondenheid met God, zichzelf en elkaar. De slang verleidde de mens echter om God te wantrouwen en tegen Gods liefde-raad in te gaan. Daarmee werd de basis gelegd voor onverbondenheid, voor afstand houden, en een breuk in intimiteit tussen man en vrouw (schaamte en beschuldiging). Het wezen van de zonde is de onverbondenheid.
Dit geeft ook gelijk aan dat er één antwoord is op de pijn en ellende die er door onverbondenheid in een mensenleven kan zijn. Dat antwoord is niet een theorie, maar een Persoon: Jezus Christus! Toen Hij op het kruis genageld die bekende woorden riep: “Vader, waarom hebt U me verlaten?”, droeg Hij in onze plaats de ultieme gevolgen van die onverbondenheid. Pas geleden hoorde ik het iemand zó zeggen: ‘Ik worstelde met die verlatenheid, zowel met m’n eigen gevoel van verlatenheid als met het feit dat Jezus daar verlaten had gehangen. Toen, op een dag, zei de Heer tegen me: “Ik heb daar die scheiding in Mijzelf genomen”. De Drieënige God nam in Jezus de scheiding in Zichzelf op, die er door onze schuld was gekomen tussen Hem en ons.’ Ik vond dat die zin heel kernachtig uitdrukt waar het op neerkomt. Doordat God in Jezus de onverbondenheid in de wortel aangepakt en ontkracht heeft, is er herstel van de verbondenheid met Hem, met onszelf en met elkaar mogelijk geworden.

De Shalom van Jezus

Dan komen we bij de vraag hoe we mensen kunnen helpen dit Antwoord te ontvangen en herstel te ervaren. Deze vraag brengt mij bij de Naam die we wel tegenkomen voor Jezus: Immanu-El – God met ons. Evenals God de Vader beloofde Jezus met ons te zijn. De pastorale benadering Immanuel pastoraat helpt mensen deze waarheid ook te ervaren. Als we ervaren dat God / Jezus bij ons is, geeft dat ook wat de Bijbel aanduidt met het Hebreeuwse begrip vrede: shalom. Shalom is die staat van veiligheid en geborgenheid die God voor ons bedoeld heeft in de verbondenheid met Hem en met elkaar. Het is deze aanwezigheid van God in ons leven, en Zijn vrede, die ons kan genezen van het gif van de onverbondenheid. Samen met mensen in de Verenigde Staten heb ik deze pastorale benadering mogen ontwikkelen die als kern heeft dat we elkaar mogen helpen Jezus aanwezigheid en Zijn shalom te ervaren. Juist in de gevoelens van afwijzing, verlating, angst en pijn die we kunnen ervaren als gevolg van onverbondenheid in verleden en/of heden maakt de dierbare aanwezigheid van Jezus zo’n enorm groot verschil. Deze benadering is verder uitgewerkt en wordt gedoceerd in pastorale cursussen Immanuel pastoraat en Immanuel levensstijl. (Op www.Immanuel-levensstijl.nl vindt u meer informatie hierover.)

Samen vreugde beleven: een belangrijke component

Een belangrijke component van herstel en van gewoon gezond leven is het samen met God en anderen beleven van vreugde aan elkaar. Door te ervaren dat God en anderen blij met mij zijn, en ik met hen, groeit mijn gevoel van er mogen zijn, mijn waardigheid, en mijn identiteit. Uitgebreider ga ik op dit aspect in in het artikel Levenslust en vreugde – op weg uit het dal van pijn en depressie en in de artikelen over De Aäronitische zegen.
Zie ook het schema hieronder. Verbondenheid versterkt verbondenheid.

Ook lichamelijk herstel

In het Immanuel pastoraat waar ik het zo-even over had blijkt vaak dat de traumatische ervaringen van onverbondenheid zich ook aan bepaalde lichaamsdelen kunnen hebben gehecht. De confident ervaart tijdens de sessies of tussen sessies in ‘ineens’ iets in een bepaald deel van zijn of haar lichaam. Het lichaam geeft bijvoorbeeld een bepaalde herinnering weer. Het is zaak, dat een pastoraal werker hier goed op in weet te gaan. In deze situatie kan een gecombineerde aanpak veel baat brengen: tegelijk met het geestelijk zegenen van de betreffende lichaamsdelen (ze hierbij tevens verbindend met het Leven van Jezus), ook werken met andere, meer lichaamsgerichte benaderingen. Voorbeelden van zulke meer lichaamsgerichte benaderingen heb ik onder meer gezien in de benadering zoals toegepast door Gerard Feller van stichting Promise, en in de Pesso-therapie.
Hier wordt ook wel de metafoor gebruikt van het ‘lichtbad’. Jezus leerde dat we het nodig hebben ons geestelijk te láten beschijnen met Zijn liefde (Joh.15:9), zoals iemand die te weinig vitamine D heeft baat heeft bij zich in het zonlicht te koesteren. Gods liefde reinigt en herstelt ons.
In de Bijbel zien we dat God onze verlatingsangst kent (zie bijv. Ps.27:7-10; 31:22a; ook ‘van binnenuit’: Mat.27:46). De Bijbel spreekt wel over een doodsangst (zie Hebr.2:15) - die ons gevangen kan houden en kan drijven tot een leven waarin we continu gedwongen worden een rol te spelen, in plaats van onszelf te kunnen zijn. Het is dan de volmaakte, tedere, geheel onbaatzuchtige liefde en blijdschap van God die deze angst verdrijft (1 Joh.4:18), zodat we vrijkomen om God met plezier te dienen.

(Verbetering van) Communicatie met God en anderen

Naast dit alles, is het dus ook belangrijk om de sociale en communicatie-vaardigheden verder te helpen ontwikkelen, en te oefenen met afstand en nabijheid in relaties. Dit kan soms ook zeer geschikt in groepsverband gebeuren. Hiervoor zijn diverse cursussen beschikbaar, zoals de zogenoemde Gordon communicatie-cursussen (genoemd naar de ontwikkelaar: Thomas Gordon). Het geeft echter een extra dimensie als dit in gemeentelijk verband kan gebeuren. Wat dat betreft is de gemeenschap van ‘broeders’ en ‘zusters’, die elkaar zegenend tegemoet treden en samen hun lijden én hun vreugde delen, onvervangbaar! Onlangs werd ik er weer extra bij bepaald hoe belangrijk het kan zijn dat juist mensen die veel onverbondenheid hebben ervaren, aangemoedigd worden om wel sociale contacten aan te gaan, ook al vinden ze dat moeilijk.
Ook het aanleren van onderscheidingsvermogen: ‘hoe weet je of iemand al dan niet betrouwbaar is?’ kan vaak wel enige begeleiding gebruiken.
Leanne Payne beveelt ook mensen sterk aan om wat zij noemt: de tegenwoordigheid van God te beoefenen. Praten met God / Jezus over wat je beleeft en ook luisteren naar Hem. Eventueel in een schrift of dagboek dingen opschrijven die je Hem verteld of gevraagd hebt én wat je ervaren of in de Bijbel gelezen hebt als Zijn reacties daarop. Zó ‘oefen’ je jezelf in het horen van Zijn stem, en versterk je je ervaren van verbondenheid met Hem.
Veel bezig te zijn met hoe Jezus met mensen omging (door het lezen en overdenken van hoe dat ging in de Evangeliën), heeft, zo merk ik, vaak ook een positief effect heeft op de empathie met jezelf en anderen. Dit heeft natuurlijk ook een positief effect op de sociale verbondenheid.

Wat vraagt dit van een pastoraal werk(st)er?

Mensen begeleiden in het gaan ervaren van verbondenheid is een schitterende taak. Tegelijkertijd is het ook een taak die al te vaak niet goed begrepen is. Ik ben veel mensen tegengekomen die enorm geleden hadden onder hun onverbondenheids­ervaringen. Dat was zo’n akelige wereld van gevoelens van pijn, eenzaamheid en hulpeloosheid geweest, dat ze die in feite niet onder ogen durfden te zien. Keihard gingen ze aan de slag om de wereld voor anderen beter te maken. Maar omdat ze daarbij hun eigen pijn als verborgen drijfveer hadden, konden ze niet echt open staan voor anderen en die anderen bekrachtigen. Wat ze met de beste bedoelingen van de wereld doorgaven, was helaas hun eigen onverbondenheid. Ik ken ouders, die als kind zich verworpen en verwaarloosd hadden gevoeld, te vaak maar de straat op waren gestuurd met een appel in plaats van thuis een warm plekje te vinden. In een poging het in de opvoeding van hun kinderen echt anders te doen eisten ze van hun kinderen dat ze elke dag uit school linea recta naar huis kwamen ‘om gezellig samen met het gezin thee te drinken’. Hierdoor voelden die kinderen zich echter als in een gevangenis, waar niet echt naar hen werd geluisterd. Tevens raakten ze geïsoleerd van hun leeftijdsgenootjes, waardoor ze ook minder sociale vaardigheden opdeden. Soortgelijke dingen heb ik ook in gemeenten en in de hulpverlening zien gebeuren.

We kunnen anderen niet goed helpen in verbondenheid zonder zelf onze eigen ervaringen van onverbondenheid onder ogen te zien. Alleen als we zelf door dat dal van eenzaamheid durven te gaan en ons kwetsbaar durven te maken, kunnen we ook dichtbij de ander komen en de ruimte hebben om werkelijk te luisteren18. Alleen zó kunnen we herstel van verbondenheid voorleven en doorgeven.

Daarnaast is het belangrijk dat een hulpverlener/hulpverleenster oog heeft voor de drie dimensies van (on)verbondenheid: de biologische, de geestelijk/psychologische en de sociale (zie figuren 2 en 3). Dit helpt in het zien wat de hulpvrager nodig heeft en hier gericht aan werken.
Eén ding maant mij wel tot extra voorzichtigheid en barmhartigheid, en dat zijn de lichamelijke/fysieke gevolgen van vroege onverbondenheid (zoals de biologische gevolgen in de hersenen). Er zijn indicaties dat latere ervaringen van goede verbondenheid hier enig herstel in kunnen brengen19, maar in ernstige situaties kan het zijn, dat we een situatie hebben die vergelijkbaar is met iemand die bijvoorbeeld aan kinderverlamming geleden heeft en daardoor nooit helemaal soepel kan lopen (tenzij God een wonder doet), ondanks de beste medische zorg. In dat soort situaties kan het enorm helpen als we gewoon naast de persoon in kwestie staan en helpen te aanvaarden wat (menselijkerwijs gesproken) niet te veranderen is. We leven in een gebroken wereld, al maakt het veel uit om temidden van alle gebrokenheid, gekend te zijn door God in Jezus (Rom.8:15-39). Juist als ik me realiseer hoe afhankelijk ik zelf naar God toe ben - zelfs Jezus zei dat Hij niets kon doen zonder de Vader - helpt me dat om met geduld en bewogenheid naast die ander te staan, of er nu genezing komt of misschien ook niet.

Conclusie en slotopmerkingen

In dit artikel heb ik laten zien hoe de bevindingen van veel verschillende onderzoekers, psychologen en pastoraal werkers in feite verschillende kanten van hetzelfde fenomeen zijn. Dit fenomeen kan samengevat worden in de stelling dat vroege ervaringen van goede verbondenheid een voorwaarde zijn voor geestelijke gezondheid en iemand in staat stellen om die verbondenheid ook weer door te geven aan de volgende generatie. Omgekeerd, leiden vroege ervaringen van onverbondenheid vaak tot ongezondheid en het (onbewust) doorgeven van die onverbondenheid - vaak ondanks de beste bedoelingen het ánders en beter te doen.
In Zijn Zoon Jezus Christus heeft God echter een weg gebaand om onze ervaringen van onverbondenheid te laten vervangen door ervaringen van verbondenheid op basis van Zijn tedere goddelijke liefde. Het is onze eigen verantwoordelijkheid om deze weg van herstel ook te zoeken, al hoor ik vaak aan mensen die deze weg gaan dat ze achteraf zoiets zeggen als: “God trok aan me met Zijn liefde!” Dit is natuurlijk ook wat de Bijbel ons vertelt: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Als iemand naar Mijn stem hoort en de deur opendoet, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij” (Opb.3:20).
Mede door de diepe sporen die onverbondenheid in onze ziel én in ons lichaam (inclusief onze hersenen) achterlaten, is deze weg van herstel zoeken vaak een proces wat enig geduld en genade vergt, zowel van degene die het ondergaat als van pastoraal begeleiders. Dit herstelproces is echter - hoe moeizaam ook - wel zeer de moeite waard; vooral als je begint te zien hoe barmhartig God erin aan het werk is. Door Zijn genade is er dan ook hoop voor kinderen die geboren zijn in een sfeer van onverbondenheid. Is Hij niet bij uitstek de God van wezen en weduwen?!


Voetnoten:

1
In een eerdere editie van Promise (Jrg.20, nr.1, januari 2004) werd in dit kader ook wel het woord ‘bindingen’ gebruikt (zie Bindingen - een artikel door Gerard Feller, op basis van het nieuwe groei-boek van C. Coursey en E.J. Wilder).
Veel meer materiaal over het onderwerp ‘verbondenheid’ vindt u op de rest van deze website; zie de artikelen index.
Overigens zij genoemd dat er ook andere dan de hier behandelde oorzaken kunnen zijn waardoor mensen symptomen van onverbondenheid kunnen vertonen. Te denken valt aan autistische stoornissen en biochemische oorzaken (bijv. bij bepaalde lichamelijke gebreken of tekorten in de voeding). Het gaat er in dit artikel niet om, alle oorzaken bloot te leggen, maar veeleer hulpverleners te helpen in het bevorderen van verbondenheid in hun confidenten, en andere lezers te stimuleren tot initiatieven om uit de cyclus van onverbondenheid te stappen en te leren leven in verbondenheid. Daartoe - heb ik gemerkt - kan het goed zijn enig inzicht te hebben in de manier waarop (on)verbondenheid van generatie op generatie wordt doorgegeven.
2 Zie o.m. de volgende boeken van Bowlby zelf:
John Bowlby, A Secure Base: Parent-child attachment and healthy human development, Basic Books (Perseus), New York USA, 1988 / Routledge (Taylor & Francis Books Ltd.), 1988; ISBN: 0-465-07597-5.
John Bowlby, Verbondenheid, Van Loghum Slaterus, NL, 1983; (vertaling, door Netty van Lookeren Campagne-Taverne, van: The Making and Breaking of Affectional Bonds, Tavistock, London / Routledge, an imprint of Taylor &Francis Books Ltd., London, 1979; ISBN: 0415043263).
John Bowlby, Attachment and loss 1: Attachment, Pimlico; ISBN: 0-7126-7471-3 - Paperback new edition of 2nd revised edition, 1997)
John Bowlby, Attachment and loss 2: Separation - anger and anxiety, Hogarth / Pimlico (Random House), 1998; ISBN: 0-7126-6621-4.
John Bowlby, Attachment and loss 3: Loss - sadness and depression, Hogarth / Pimlico (Random House), 1998; ISBN: 0-7126-6626-5.

Zie ook:
R.C. Fraley, Attachment theory and close relationships, op: tigger.uic.edu/~fraley/moreabout.htm.
M.H. van IJzendoorn, Gehechtheid van ouders en kinderen - Intergenerationele overdracht van gehechtheid in theorie, (klinisch) onderzoek en gevalsbeschrijvingen, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten NL / Zaventem B, 1994. ISBN 90 313 1814 0.

2012-11-23

Bowlby bouwde met zijn observaties voort op werk van onder anderen Konrad Lorenz.

2013-06-21

Zie ook:
N. Nicolai, ‘Hechting en psychopathologie: een literatuuroverzicht’, Tijdschrift voor Psychiatrie 43, nr.5, 2001; p.333-342.
Wim van Mulligen, ‘Loslaten in Verbondenheid - Beschouwingen over hechting en loslaten ten opzichte van de contextuele verbondenheid’, web-artikel van Leren over Leven Vzw., ongedateerd.
Louis Tavecchio en Rien van IJzendoorn, ‘Niet Alle Banden Binden Even Vast - de gehechtheidstheorie van John Bowlby’, Psychologie, Dec. 1984; p.18-25.

3 Allan N. Schore - sommigen gaven hem de bijnaam: De Amerikaanse Bowlby - heeft uitgebreid de invloed van goede vroege hechting op de ontwikkeling van de hersenen bestudeerd. Zie bijv. zijn artikelen:
Allan N. Schore, ‘The Effects of a Secure Attachment Relationship on Right Brain Development, Affect Regulation, and Infant Mental Health’, Infant Mental Health Jl, 2001, 22, pp.7-66.
Allan N. Schore, ‘The Effects of Early Relational Trauma on Right Brain Development, Affect Regulation, and Infant Mental Health’, Infant Mental Health Jl, 2001, 22, pp.201-269 (also in parts 1, 2 and 3 at the German site of the AGSP).
Allan N. Schore, ‘Dysregulation of the right brain: A fundamental mechanism of traumatic attachment and the psychopathogenesis of posttraumatic stress disorder’, Australian and New Zealand Jl of Psychiatry, 2002, 36, pp.9-30. Zijn conclusie in dit artikel is erg veelzeggend:
Chaotische, gedesorienteerde, onzekere hechting, een patroon dat vaak voorkomt bij kinderen die in de eerste twee levensjaren misbruikt zijn, manifesteert zich psychologisch als een niet in staat zijn een samenhangende strategie te ontwikkelen om met relationele spanning om te gaan. Vroeg misbruik heeft een negatief gevolg voor het ontwikkelingstraject van de rechter hersenhelft, die een hoofdrol speelt bij verbondenheid (hechting), het reguleren van emoties (affect) en het moduleren van spanning; hetgeen dus een basis legt voor lichamelijke en mentale tekorten in het kunnen hanteren van moeilijke situaties, die zo karakteristiek zijn voor de symptomen van PTSS (Post Traumatische Stress Syndroom). Deze gegevens suggereren dat vroege interventie programma’s de intergenerationele overdracht van postttraumatische stress stoornissen in belangrijke mate kunnen beïnvloeden.
Allan N. Schore, ‘Attachment and the regulation of the right brain’, Attachment & Human Development, Volume 2, Number 1 / April 1, 2000, p.23-47, Brunner-Routledge (Taylor & Francis).
Allan N. Schore, ‘The Right Brain, The Right Mind, and Psychoanalysis’, in: Allan N. Schore (ed.), Affect Regulation and the Repair of the Self, Guilford Press; een verkorte versie is beschikbaar op het web.
Zie ook:
Jim Wilder (vertaling en bewerking: Gerard Feller), ‘HEEL DE MENS, Deel 3 - Neuropsychologie bij traumata’ en: Deel 4 - Borderline Problemen, een samenvatting, op de website van Stichting Promise, van een lezing gegeven door dr. Jim Wilder, psycholoog in California, werkzaam in een christelijk counselingcentrum: the Sheperd’s House. Zie ook: Jim Wilder (vertaling en bewerking: Gerard Feller), ‘Diagnostiek van pijn vanuit een mislukte ontwikkeling bij D.I.S. en Trauma’, op de website van Stichting Promise.
Bruce D. Perry, ‘Violence and Childhood - How Persisting Fear Can Alter the Developing Child’s Brain’, The ChildTrauma Academy, Department of Psychiatry and Behavioral Sciences, Baylor College of Medicine.
An interview with Allan Schore - ‘The American Bowlby’, July 9th 2001 and associated ‘Suggested readings’ (PDF document beide documenten in pdf formaat, te lezen met Adobe Reader™).
Marianne Riksen-Walraven, Wie het kleine niet eert... - over de grote invloed van vroege sociale ervaringen (PDF document document in pdf formaat, te lezen met Adobe Reader™), inaugurele rede bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Nijmegen, maart 2002. Marianne Riksen-Walraven verwijst hierin uitgebreid naar de literatuur - met name de bovengenoemde artikelen van Allan N. Schore.
Het begrijpen van effecten van mishandeling op de vroege ontwikkeling van hersenen, vertaling: Emma van Weringh - augustus 2003, van een artikel van In Focus © Administration for Children and Families - Oktober 2001, US Department of Health and Human Services.
Danya Glaser, ‘Child Abuse and Neglect and the Brain’(zie ook de ‘volgende paginas’), J. Child Psychol. & Psychiat. 41-1, 2000, p.97-116.
Kathy Steele, Onno van der Hart, Ellert R.S. Nijenhuis, ‘Dependency in the Treatment of Complex Posttraumatic Stress Disorder and Dissociative Disorders’, Jl of Trauma and Dissociation, 2 (4), p.79-116.
Bessel A. van der Kolk, ‘The body keeps the score: Memory and the evolving psychobiology of post traumatic stress’, Harvard Review of Psychiatry, Vol.1, No.5, p.253-265.
Deborah A. Lott, ‘Brain Development, Attachment and Impact on Psychic Vulnerability’, Psychiatric Times, May 1998, Vol. XV, Issue 5.
Michael D. DeBellis, ‘Developmental Traumatology: Neurobiological Development in Maltreated Children With PTSD’, Psychiatric Times, September 1999, Vol. XVI, Issue 9.
4 Zie onder meer de volgende artikelen:
Peter Fonagy, ‘Attachment in infancy and the problem of conduct disorders in adolescence: the role of reflective function’ (in .rtf format), Plenary address to the International Association of Adolescent Psychiatry, San Francisco, Jan. 2000.
Peter Fonagy, ‘Pathological attachment and therapeutic action’, Paper to the Developmental and Psychoanalytic Discussion Group, American Psychoanalytic Association Meeting, Washington DC, 13 May 1999.
Peter Fonagy, Mary Target, George Gergely, ‘Attachment and Borderline Personality Disorder: A Theory and Some Evidence’ (document in .rtf format), paper presented by Peter Fonagy as Visiting Professor of Psychoanalysis of the Michigan Psychoanalytic Institute, April 2-9 2000.
Peter Fonagy, ‘Transgenerational Consistencies of Attachment: A New Theory’, paper to the Developmental and Psychoanalytic Discussion Group, American Psychoanalytic Association Meeting, Washington DC, 13 May 1999 (ook hier).

Paul M. Miller, DavidLisak, ‘Associations between childhood abuse and personality disorder symptoms in college males, Jl of Interpersonal Violence, 14 (6), June 1999, p.642-656.

The International Justice Project, The Impact and Implications of Trauma and Abuse, ongedateerd webdocument.

Zie ook: Bie Heyse, Tussen Dader en Slachtoffer -- Visie van een Traumatherapeut, Jubileumbrochure van de Leerprojecten voor daders van seksueel geweld (B), gereproduceerd op de website van KERN vzw.
En: Stefan Bogaerts, Johan Goethals & Geert Vervaeke, ‘Volwassen gehechtheid en ouderlijke sensitiviteit in relatie tot intimiteit en eenzaamheid bij seksuele delinquenten: een literatuuranalyse’, Tijdschrift voor Seksuologie 24, 2000, p.141-151.

Zie voor ideeën hoe we hier in onze gezinnen iets aan kunnen doen o.m. het boek van de christelijke schrijver Josh McDowell (met Ed Stewart), The Disconnected Generation - Saving Our Youth from Self Destruction, Word (Thomas Nelson), Nashville, 2000; ISBN 0-8499-4077-X.

5 Zie bijvoorbeeld:
Marianne Riksen-Walraven, Wie het kleine niet eert... - over de grote invloed van vroege sociale ervaringen (PDF document document in pdf formaat, te lezen met Adobe Reader™), inaugurele rede bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Universiteit van Nijmegen, maart 2002; i.h.b. p.6 en 7.
Laurie Anne Pearlman, Karen W. Saakvitne, Trauma and the Therapist - Countertransference and Vicarious Traumatization in Psychotherapy with Incest Survivors, W.W. Norton & Company, New York / London, 1995; ISBN: 0-393-70183-2.
6 Ik denk hierbij o.a. aan de volgende boeken:
Anna A.A. Terruwe, Geloven zonder angst en vrees, Romen, Roermond, 1971. ISBN 90 228 5203 2.
Anna A.A. Terruwe, De liefde bouwt een woning, J.J. Romen & Zonen, Roermond NL, 1971; ISBN 90 228 5201 6.
Anna A.A. Terruwe, Grondbeginselen van levenskunst, 3e druk: J.J. Romen & Zonen, Roermond NL / Unieboek, Bussum NL, 1972. ISBN 90 228 5202 4. Hierin zijn twee eerdere titels verenigd: Wat is psychisch gezond leven? En: De rijping van het verlangen.
Anna A.A. Terruwe, Geef mij je hand - over bevestiging, sleutel van menselijk geluk, De Tijdstroom, Lochem NL, 1972 (zie p.18-31 hieruit, online PDF document).
Anna A.A. Terruwe, Kom uit de boom, Zacheus, Ik kom bij je eten - empirisch-antropo­logische visie op menselijk samenzijn in kerk en wereld, De Tijdstroom, Lochem NL, 1974. ISBN 90 6087 834 5.
7 De ‘narratieve’ stroming heeft ook – veel meer dan het modernisme – oog voor het relationele. Zoals Kenneth Gergen respectievelijk Mikhail Bakhtin – twee voorvechters van de ‘narratieve’ benadering – gezegd hebben:
"dialoog is niet het bezit van een enkel individu. Betekenisvolle taal is het resultaat van sociale onder­linge afhankelijkheid. Het vereist de gecoordineerde actie van ten minste twee personen, en tot er een wederzijdse overeenstemming is over de betekenis van woorden, kunnen ze geen taal vormen. Als we deze gedachtenlijn volgen tot haar onvermijdelijke conclusie, vinden we dat het niet het verstand van het enkele individu is dat voorziet in welke zekerheid dan ook die we bezitten, maar relaties van on­derlinge afhankelijkheid. Als er geen onderlinge afhankelijkheid zou zijn - het gezamenlijk creëren van betekenisvolle dialoog - zouden er ook geen "objecten" of "acties" zijn, of manieren om deze in twijfel te trekken. We kunnen terecht Descartes’ gezegde [‘Cogito ergo sum’; AL] [‘Ik denk dus ik ben’; AHR] vervangen door ‘communicamus ergo sum’ [‘ik communiceer dus ik ben’; AHR]."
"Ik ben me bewust van mezelf en wordt mezelf alleen in het proces waarin ik mezelf aan een ander laat zien, door een ander en met de hulp van een ander . . . elke interne ervaring eindigt op het grens­vlak . . . Het diepste wezen van de mens (in- én extern) is diepgaande communicatie. Er te zijn bete­kent te communiceren . . . Er te zijn betekent er te zijn voor de ander, en door hem, voor zichzelf. De mens heeft geen intern souverein gebied; hij is alles en altijd op het grensvlak..."
Bron: K.J. Gergen, Realities and Relationships: Soundings in Social Construction, Harvard University Press, Cambridge, MA, 1994, viii; en M.M. Bakhtin, 1984: 287; beide geciteerd in A. Lock: Draft outline for a course on identity and self.
8 Leanne Payne heeft dit gezegd tijdens een Pastoral Care Ministry week.
Zie echter ook haar boek: Herstel van identiteit - door genezend gebed (de Engelse versie heeft als subtitel: De drie grote barrières op de weg naar persoonlijke en geestelijke vervolmaking in Christus), Navigator Boeken, 2000; ISBN: 9070656957 (vertaling door Martin Tensen van: Restoring the christian soul - through healing prayer (Overcoming the three great barriers to personal and spiritual completion in Christ), Crossway Books, Wheaton Ill USA, 1991).
En het boek van Andrew Comiskey, Kracht in zwakheid, Telos-reeks, Medema, Vaassen, 2004; ISBN 90-6353-435-4; (vertaling van: Strength in Weakness - Healing Sexual and Relational Brokenness, Inter Varsity Press, Downers Grove IL, USA, 2003; ISBN 0-8308-2368-9).
Of dat van Signa Bodishbaugh, Op weg naar heelheid in Christus - een reisgids voor 40 dagen, Coconut, Almere, 2003; ISBN 90-807586-1-2; (vertaling door Martin Tensen, van: The Journey to Wholeness in Christ - A devotional adventure to becoming whole, Chosen Books / Baker Book House, Grand Rapids MI USA, 1997; 3rd Printing available from Journey Press, Mobile Alabama, 2003).
9 Recent komt er steeds meer support voor het inzicht dat dissociatieve stoornissen gezien moeten worden als hechtings­stoornissen. Zie hiervoor o.m:
Peter Rober, Dissociatie, Hechting en Therapeutische Verhalen: Een Casus, web-artikel op de site van KERN - een Belgisch centrum voor psychotherapie en relatievorming.
Peter Fonagy, Mary Target, George Gergely, ‘Attachment and Borderline Personality Disorder: A Theory and Some Evidence’ (document in .rtf format), paper presented by Peter Fonagy as Visiting Professor of Psychoanalysis of the Michigan Psychoanalytic Institute, April 2-9, 2000.
10 Zie de referenties bij noten 2 t/m 4 en 12.
11 De rol van verslaving in de dynamica zoals hier beschreven, komt heel duidelijk naar voren in:
Colin A. Ross, ‘Self-Blame & Addiction’ (PDF document document in pdf formaat, te lezen met Adobe Reader™), Paradigm, Spring 2002, p.14,15,18.
Zie ook het artikel van E. James Wilder en Raymond Jones: ‘Verslaving en volwassenheid’ in Promise (Jrg 20, Nr.2, april 2004, p.2-8) en het artikel in dagblad Trouw: ‘Hunkerhersenen’, over de relatie tussen verslaving en gevoeligheid en afwijkende biochemie in de hersenen, door Martin van der Laan, 29 april 2004.
12Zie bijv.:
Jay Adams, ‘Victim Issues Key To Effective Sex Offender Treatment’, Sexual Addiction and Compulsivity, Vol. 10, Number 1, 2003.
David Lisak, Jim Hopper, Pat Song, ‘Factors in the Cycle of Violence: Gender Rigidity and Emotional Constriction’, Journal of Traumatic Stress, 9, 1996, p.721-743 (Een samenvatting en enkele stukken uit dit artikel, door Jim Hopper, is beschikbaar op het web).
13Betreffende deze ‘herhalingsdrang’ (‘repetition compulsion’, ‘the compulsion to repeat the trauma’ of ‘re-enactment’) verwijs ik naar de volgende artikelen:
Bessel A. van der Kolk, ‘The compulsion to repeat the trauma - Re-enactment, revictimization and masochism’, in: Psychiatric Clinics of North America, Vol 12, Nr 2, June 1989, pp.389-411.
En de referentie bij noot 11.
Zie ook: Barbara Nicholson (Attachment Parenting International), De cyclus van hechting, op de site van het Platform Natuurlijk Ouderschap.
14Zie bijv.: Jacqui Saradjian (with Helga Hanks), Women who sexually abuse children - from research to clinical practice, Wiley Series in Child Care and Protection, Chichester GB / New York USA / etc, 1996.
Kali Munro, ‘Male Sexual Abuse Victims of Female Perpetrators: Society’s Betrayal of Boys’, web-artikel.
15Een goede inleiding over de contextuele benadering van Ivan Böszörményi-Nagy is te vinden in het artikel van Ammy Van Heusden: ‘In het voetspoor van Nagy’, in: D. Schlüter (red.), In het voetspoor van Ivan Nagy, Amsterdam, V.O. Cahier, 1990, p. 9-16; (beschikbaar op de website van de Vzw. KERN (België)).
In Nederland zijn o.m. stichting ConPas en stichting Koinonia actief in contextueel pastoraat. Zie bijv. het artikel: ‘Contextueel Pastoraat’ op de website van ConPas.
Een op de contextuele visie gebaseerd, goed toegankelijk boek vind ik o.a. dat van Hans Groeneboer: Erf-goed - De bijl aan de wortel, Koinonia; ISBN: 9076193037.
Wat betreft het thema vergeving in de intergenerationele problematiek zoals hier geschetst, kunnen we ook putten uit het begrip ‘gerechtigd zijn’ zoals Ivan Boszormenyi Nagy het hanteert. Nagy vergelijkt wat er in relaties gebeurt met een bankrekening waarop gestort wordt en waarvan afgehaald wordt. Deze twee stromen, zegt Nagy, moeten in evenwicht zijn. Als bijv. ouders te weinig geven aan een kind, of het kind zelfs veel ontnemen, kan het kind gaan ervaren dat het ‘gerechtigd’ is om iets van de ouders of van anderen te eisen.
Een behandeling van het begrip vergeving in deze context vond ik ooit op de oude site van de Belgische Vzw Leren over Leven: ‘Families en vergeving: de wonden helen in de intergenerationele familie’ (PDF document PDF document). May Michielsen geeft hier een zeer bruikbare samenvatting van waardevolle ideeën uit het boek van T.D. Hargrave, Families and Forgiveness: Healing Wounds in the Intergenerational Family, New York: Brunner/Mazel, 1994.

Soms wordt ook de term ‘contextueel’ gebezigd buiten de theorie van Nagy. Zie in dit verband bijvoorbeeld:
Marinus H. van IJzendoorn, Marian J. Bakermans Kranenburg, ‘Intergenerational transmission of attachment – Towards a contextual approach’, VIIth Eur. Conf. of Development Psychology, Krakow, Polen, 24-28 aug. 1995.

16 Dat de mens is geschapen voor verbondenheid met God en met elkaar komt in de hele Bijbel en veel andere literatuur sterk naar voren. Recent bijvoorbeeld in: Mieke de Boer-Sonnenschein, Een warme band met God - En hoe de psychologie van gehechtheid je hierbij kan helpen, Kokboekencentrum, Utrecht, 2022; ISBN 978 90 435 3750 6.
In de westerse, door het Griekse denken en de zogenoemde ‘verlichting’ (lees: God verlating) beïnvloede maatschappij is het relationele echter naar de achtergrond gedrukt en het rationele/intellectuele denken van de mens meer op de voorgrond geplaatst. Anna Terruwe heeft haarscherp laten zien hoe dit tot psychische ziektebeelden heeft geleid (zie literatuur noot 6). In zijn boek Verbondenheid (Navigator Boeken / Medema, Driebergen / Vaassen, 1998) geeft Larry Crabb aan hoe de Gemeente weer een heilzame gemeenschap kan worden, waar verbondenheid mensen op hun plek laat komen.
17 In haar boek: Trauma en herstel - de gevolgen van geweld van mishandeling thuis tot politiek geweld (hoofdstuk 3, ‘Verlies van verbondenheid’, p.75), schrijft Judith Lewis Herman:
Traumatische gebeurtenissen tasten fundamentele menselijke relaties aan. Ze maken inbreuk op familie-, vriendschaps-, liefdes- en gemeenschapsbanden. Ze brengen ernstige schade toe aan de structuur van het zelf dat in relatie met anderen wordt gevormd en in stand gehouden. Ze ondermijnen de geloofssystemen die zin geven aan de menselijke ervaring. Ze schenden het vertrouwen van het slachtoffer in een natuurlijke of goddelijke orde en leiden tot een existentiële crisis.
18 Soms ziet men in de reguliere, seculiere hulpverlening deze dingen mijns inziens nog te weinig (de goeden niet te na gesproken!). Dan zoekt men zijn heil soms uitsluitend in het toedekken van traumatische ervaringen of in cognitieve of cognitief-behaviouristische methoden. Een cognitieve behandelmethode heeft echter beperkingen bij iemand die -biologisch gezien al- juist cognitief gehandicapt is door de gemiste vroege verbondenheid. Bovendien zijn het niet onze bewuste gedachten die ons handelen bepalen, maar juist de onbewuste schema’s die gebaseerd zijn op onze ervaringen van verbondenheid of onverbondenheid. Ook geldt in de reguliere hulpverlening nog maar al te vaak de regel van de ‘professionele distantie’. Hoewel ik wel het stellen goede grenzen toejuich is dit waarom - naar mijn inzicht - de reguliere hulpverlening niet altijd even succesvol is waar het gaat om psychische aandoeningen die het gevolg zijn van ernstige vormen van onverbondenheid zoals ‘borderline’ of ‘dissociatieve identiteitsstoornis’ (ik zet de benamingen van deze kwalen tussen aanhalingstekens omdat het mijns inziens niet gaat om persoonlijkheidsstoornissen, maar veeleer om de invloed van negatieve ervaringen; gelukkig is hier in de DSM-IV middels het concept van de posttraumatische stress stoornis meer oog voor gekomen dan er eerder in de DSM-III was).

Naar mijn observatie heeft iemand alleen vanuit een diepe verbondenheid de ruimte en vastigheid om een ander zó te bevestigen dat deze zich veilig en verbonden kan gaan voelen en de pure en tedere liefde die van Gods hart uitvloeit kan ‘pakken’ – wat nodig is om zichzelf als ‘verbonden’ te gaan ervaren.

Ook in de goed-geïnformeerde seculiere psychologische benadering is er veel oog voor verbondenheid en veel ruimte voor de afhankelijkheid en waardigheid van de confident en zijn of haar veiligheid. Je ziet dan wel een hierop gerichte, gefaseerde benaderingswijze aanbevolen en toegepast worden. Zie hiervoor bijv.:
Kathy Steele, Onno van der Hart, Ellert R.S. Nijenhuis, ‘Dependency in the Treatment of Complex Posttraumatic Stress Disorder and Dissociative Disorders’, Jl of Trauma and Dissociation, 2 (4), p.79-116.
Bessel A. van der Kolk, ‘The assessment and treatment of complex PTSD’, Chapter 7 in: Rachel Yehuda (ed.), Traumatic Stress (PDF document document in pdf formaat, te lezen met Adobe Reader™), American Psychiatric Press, 2001.
Zie ook de opmerkingen en literatuur bij noot 9. In zijn daar genoemde artikel zegt Peter Fonagy heel treffend dat het reflectief kunnen nadenken over de (on)juistheid van beweegredenen achter het eigen handelen en dat van de ander (samengevat tot ‘mentalization’), alleen geleerd kan worden in de context van een hechtings- (of: verbondenheids-)relatie.
Zie ook: Judy McLaughlin-Ryan, ‘The Use of the Dyadic Affective-State Relationship (ASR) in the Treatment of the Post-Traumatic Stress Disordered Adult Molested as a Child’, op de website van The American Academy of Experts in Traumatic Stress. Opmerking: de schrijfster geeft een idee voor een behandelwijze van PTSS op basis van een soort ‘overname’ van traumatische gevoelens van de confident door de therapeut, waarbij de therapeut daarna a.h.w. de confident ‘voorgaat’ in het hervinden van een staat van emotionele orde en rust.
En: Melody Palm, ‘Ministering to the abused’, Enrichment Journal, Febr. 2001. Opmerking: dit artikel geeft een korte maar gebalanceerde introductie voor pastoraal werkers.

19John Bowlby postuleerde al uit zijn waarnemingen van kinderen die hij over een langere periode observeerde, dat op z’n minst enig herstel mogelijk is. Later is dit door diverse ‘ervaringsdeskundigen’ en wetenschappers bevestigd.
Zie bijvoorbeeld: Judy McLaughlin-Ryan, ‘The Use of the Dyadic Affective-State Relationship (ASR) in the Treatment of the Post-Traumatic Stress Disordered Adult Molested as a Child’, op de website van The American Academy of Experts in Traumatic Stress; en de referenties daarin, of: Glen O. Gabbard, ‘The Impact of Psychotherapy on the Brain’, Psychiatric Times, September 1998, Vol. XV, Issue 9.

home  home of  terug naar de artikelen index

Meer informatie of suggesties

Voor meer informatie, of uw reactie op het bovenstaande, kunt u contact met me opnemen via e-mail: andre.roosma@12accede.nl.

Bedankt voor uw belangstelling!

© André H. Roosma , Accede!, Zoetermeer/Soest, 2004-01-28 / 2022-07-15; alle rechten voorbehouden.